Schum­me­ree­ in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈʃʊ·mə·ɾɛɪ̯/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Schum·me·ree
f de Schum­me­ree­
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Sett sik tohoop ut: schummern + -ee