Schum­mer­tiet in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈʃʊ·mɐˌtiːt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Schum·mer·tiet
Pluralis: Schummertieden f de Schum­mer­tiet
[1]
geavanceerde woordenschat

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: schummern + Tiet