Eck­tähn in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɛkˌtɛːn/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Eck·tähn
Plural: Eck­tähn m de Eck­tähn
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Eck + Tähn