Ka­schott in het Nedersaksisch

Uitspraak: /kaˈʃɔt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ka·schott
Plural: Ka­schott­s n dat Ka­schott
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
bak
Engels:
Duits:
Examples: