trüg­g­ut in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈtɾʏɡ·uːt/
bijwoord
Afbreking: trügg·ut
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: trügg + ut