Teetiet in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈtɛːˌtiːt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Tee·tiet
Plural: Teetie­den f de Teetiet
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Sett sik tohoop ut: Tee + Tiet