An­part in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈanˌpa͡ɐt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: An·part
m de An­part
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: an + Part