Schre’­er in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈʃɾɛɪ̯·əɾ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Schre’·er
Plural: Schre’­ers m de Schre’­er
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: schre’en + -er