be­sün­ner in het Nedersaksisch

Uitspraak: /bəˈzʏ·nɐ/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: be·sün·ner
geen trappen van vergelijking
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevorms door: be- + sünner