Hö­der in het Nedersaksisch

Uitspraak: /høːy̯·dɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Hö·der
Plural: Hö­ders m de Hö­der
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: höden + -er