Schie­ven­hon­nig in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈʃiːm̩ˌhɔ·nɪç/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Schie·ven·hon·nig
Niet gebruikt het pluralis m de Schie­ven­hon­nig
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Schiev + Honnig