Ka­mer­dook in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈkɔː·mɐˌdɔu̯k/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ka·mer·dook
n dat Ka­mer­dook
m de Ka­mer­dook
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Kamer + Dook