ke­sig in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈkɛː·zɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: ke·sig
kesiger kesigst
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:
Examples:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Kees + -ig