Ge­sicht in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ɡɛˈzɪçt/ 🔊︎
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ge·sicht
Pluralis: Gesichten n dat Ge­sicht
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Voorbeelden:
Nu maak doch nich son scheef Gesicht!

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: ge- + Sicht