Löög­ner in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈløːɡ·nɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Löög·ner
Plural: Löög­ners m de Löög­ner
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Lögen + -er