Nacht­sla­pen­tiet in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈnaxtˌslɔːpm̩·tiːt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Nacht·sla·pen·tiet
Niet gebruikt het pluralis f de Nacht­sla­pen­tiet
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: nachtslapen + Tiet