Törf­schuur in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈtœ͡ɐfˌʃuː͡ɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Törf·schuur
n dat Törf­schuur
f de Törf­schuur Westfälisch

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Törf + Schuur