Swie­ne­ree in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈsviː·nə·ɾɛɪ̯/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Swie·ne·ree
Plural: Swie­ne­re­en f de Swie­ne­ree
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Swien + -er + -ee