tör­vig in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈtœ͡ɐ·vɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: tör·vig
törviger törvigst
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Törf + -ig