Ut­schott in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈuːtˌʃɔt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ut·schott
Niet gebruikt het pluralis m de Ut­schott
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: ut + Schott