Wind­haak in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈvɪntˌhɔːˑk/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Wind·haak
Plural: Wind­ha­ken m de Wind­haak
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Wind + Haak