Po­kal­sche­ten in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈpɔ·kɔːlˌʃɛɪ̯tn̩/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Po·kal·sche·ten
Plural: Po­kal­sche­tens n dat Po­kal­sche­ten
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Pokal + scheten