Back­plumm in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈbakˌplʊm/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Back·plumm
Plural: Back­plum­men f de Back­plumm
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Examples:
To Klütens eet ik jümmer geern ok Backplummen to.

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: backen + Plumm