Dööp­steen in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈdœɪ̯pˌstɛːn/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Dööp·steen
Plural: Dööp­steen m de Dööp­steen
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: döpen + Steen