Topp­s­gast in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈtɔpsˌɡast/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Topps·gast
Plural: Topp­s­gäst m de Topp­s­gast West-Grupp, Westfälisch
Plural: Topp­s­gas­ten m de Topp­s­gast
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Topp + Gast