Damp­schipp in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈdampˌʃɪp/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Damp·schipp
Plural: Damp­scheep n dat Damp­schipp
[1]
geavanceerde woordenschat
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Damp + Schipp