Fall­ap­pel in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈfalˌa·pəl/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Fall·ap·pel
Plural: Fall­äp­pel m de Fall­ap­pel West-Grupp, Märkisch
Plural: Fall­ap­pels m de Fall­ap­pel Ostfälisch
Plural: Fall­ap­peln m de Fall­ap­pel
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: fallen + Appel