Ap­pel in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈa·pəl/ 🔊︎
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ap·pel
Plural: Äp­pel m de Ap­pel
Plural: Ap­pels m de Ap­pel
Plural: Ap­peln m de Ap­pel
Beeld, dat de onderbeduiding illustreerd
Eugen Nosko, CC BY-SA 3.0 de
[1]
basiswoordenschat
actief
Nedersaksisch:
Nederlands:
=
appel
Engels:
=
apple
apples
Duits:
=
Apfel
Äpfel Äpfeln