Ap­pel­goorn in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈa·pəlˌɡɔː͡ɐn/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ap·pel·goorn
Plural: Ap­pel­goorns m de Ap­pel­goorn

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Appel + Goorn