zelfstandig naamwoord
Afbreking: Fisch·supp
Pluralis: Fi­sch­sup­pen f de Fi­sch­supp
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Voorbeelden:

Etymologie:

Samengesteld woord gevormd door: Fisch + Supp