Fi­sch­supp in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈfɪʃˌsʊp/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Fisch·supp
Plural: Fi­sch­sup­pen f de Fi­sch­supp
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Examples:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Fisch + Supp