wram­pig in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈvɾam·pɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: wram·pig
wrampiger wrampigst
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
verdreetlich, wedderböstig
Duits:
Examples:
Wat büst du wrampig tomoot.

Etymologie:

Woord afleidt van: -ig