maal in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈmɔːl/
frase
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
kenntekent en Operatschoon in de Mathematik
2 * 2: twee maal twee
Nederlands:
Engels:
Duits:
mal

Etymologie:

Woord afleidt van: maal