Buur­meen in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈbuː͡ɐˌmɛːn/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Buur·meen
Plural: Buur­me­nen f de Buur­meen
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Woord afleidt van: Buur