Peer­hol­sch in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈpɛːˑ͡ɐˌhɔlʃ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Peer·holsch
Plural: Peer­hol­schen m de Peer­hol­sch
[1]
perifere woordenschat
Nederlands:
Engels:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Peerd + Holsch