Vull­rig­ger in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈfʊl·ɾɪ·ɡɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Vull·rig·ger
Plural: Vull­rig­gers m de Vull­rig­ger
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: vull + -er