Vull­schipp in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈfʊlˌʃɪp/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Vull·schipp
Plural: Vull­scheep n dat Vull­schipp
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Examples:
De Preußen von 1902 weer en Vullschipp mit fiev Masten.

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: vull + Schipp