Klü­ter­ka­mer in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈklyː·tɐˌkɔː·mɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Klü·ter·ka·mer
Plural: Klü­ter­ka­mern f de Klü­ter­ka­mer
[1]
perifere woordenschat
Examples:
He sitt in siene Klüterkamer un boot en Vagelhuus.

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: klütern + Kamer