Traan­lamp in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈtɾɔːn·lamp/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Traan·lamp
Plural: Traan­lam­pen f de Traan­lamp
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Traan + Lamp