Hil­li­gen in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈhɪ·lɪɡn̩/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Hil·li·gen
Plural: Hil­li­ge m de Hil­li­ge
[1]
geavanceerde woordenschat
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: hillig + -en