an­nern­dags in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈa·nɐnˌdaçs/
bijwoord
Afbreking: an·nern·dags
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: anner + Dag