O­gen­litt in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɔu̯ɡn̩ˌlɪt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: O·gen·litt
n dat O­gen­litt
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Oog + Litt