af­schun­nen in het Nedersaksisch

Uitspraak: /afˈʃʊn̩/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: af·schun·nen
geen trappen van vergelijking
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
afrieven, afschrammen
Duits:
Examples:
Ik heff mi de Huut an de Kneen ganz afschunnen.

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: af- + schinnen