Imt­tiet in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɪmtˌtiːt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Imt·tiet
Plural: Imt­tie­den f de Imt­tiet
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Imt + Tiet