Mahltiet in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈmɔːlˌtiːt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Mahl·tiet
Plural: Mahltie­den f de Mahltiet
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Sett sik tohoop ut: Mahl + Tiet