Schien­holt in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈʃiːnˌhɔlt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Schien·holt
Niet gebruikt het pluralis n dat Schien­holt
[1]
perifere woordenschat

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: schienen + Holt