Uitspraak in het Plat: /vɪtsnuːtɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: witt·snu·tig
wittsnutiger wittsnutigst
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Voorbeelden:
Geiht di dat nich goot? Du sühst so wittsnutig ut!

Etymologie:

Samengesteld woord gevormd door: witt + Snuut + -ig