een­fa­ch in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɛːn·fax/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: een·fach
einfacher einfachst
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Engels:
Duits:
Examples:
Dat is ganz eenfach!
[2]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:
[3]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
ahn veel Smuck oder Biwark
Duits:
Examples:

Etymologie:

Woord afleidt van: een