Ha­ckfrucht in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈhakˌfɾʊxt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Hack·frucht
Plural: Ha­ckfrücht f de Ha­ckfrucht
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Nederlands:
Duits:

Etymologie:

Sett sik tohoop ut: hacken + Frucht