Leg­gels in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈlɛ·ɡəls/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Leg·gels
Pluralis: Leggels n dat Leg­gels
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
leg
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: leggen + -els