Uitspraak in het Plat: /ˈafˌdɛ·kɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Af·de·cker
Pluralis: Afdeckers m de Af­de­cker
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: afdecken + -er